Sprinkhanen

In de Benelux leven zo’n zestig soorten Sprinkhanen. In Nederland komen er 45 soorten voor. Veel soorten lijken sprekend op elkaar en zijn niet makkelijk uit elkaar te houden. Het determineren van de sprinkhanen vind ik daarom best lastig.

Ze worden verdeeld in twee groepen: de langsprieten (Ensifera), waartoe onder ander de Sabelsprinkhaan behoort en de kortsprieten (Caelifera), waartoe de talrijke Veldsprinkhanen behoren. De kortsprieten zijn allemaal planteneters, de meeste langsprieten zijn alleseters.

Bijna alle Sprinkhaansoorten kunnen geluid maken door hun voorvleugels Langs elkaar te wrijven of door met hun voorvleugels over de achterpoten te strijken. Wel is het getsjirpt per soort verschillend. De gehoororganen zitten niet op de kop, maar in de poten. Alleen het mannetje tsjirpt Daarbij wrijft hij met de voorvleugels snel over elkaar. Het dient om de vrouwtjes te lokken. Het geluid doet denken aan apparaten: wekkers, naaimachines of bromfietsen.

Het grotere vrouwtje is te herkennen aan de ‘sabel’ aan haar achterlijf. Dat is een legboor waarmee ze haar eitjes in de grond deponeert. Ze heeft vrij droge grond nodig om haar eitjes af te zetten. Aan het eind van de zomer leggen de vrouwtjes de eitjes met lange legbuizen in de grond. Hier overwinteren ze en komen volgend voorjaar als larven uit de grond, die meteen op de volwassen sprinkhaan lijken. Net als hun ouders kunnen ze zich voortbewegen door te springen. Hun vleugels ontstaan pas na de derde van in totaal vijf vervellingen. Jonge Sprinkhanen worden nimfen genoemd. Sprinkhanen leven voornamelijk op grasveldjes en je vindt ze het meeste in de zomer. Wanneer de vorst invalt sterven alle Sprinkhanen.