Vliegen

Er bestaan vele soorten vliegen. O.a. huisvlieg, sluipvlieg, strontvlieg, zweefvlieg, bloemvlieg, snipvlieg, vleesvlieg, etc. Een vlieg heeft bijzondere ogen. Ze bestaan uit heel veel kleine vakjes. Dat zijn facetten. Met zijn facetogen kan een vlieg naar alle kanten kijken. Hij hoeft zijn kop daarvoor niet te draaien. Alle facetten vangen een stukje van de omgeving op, daarom kan je moeilijk vliegen vangen. Vanwege die facetogen heeft een vliegenmepper gaatjes. De vlieg ziet de wereld in kleine stukjes. De vliegenmepper met de gaatjes ziet hij dus niet aankomen. Je kunt aan de ogen van een vlieg zien of het een mannetje is of een vrouwtje. Het vrouwtje heeft kleine ogen en de ogen van het mannetje bedekken bijna zijn hele kop.

Vliegen hebben 6 poten. Onder aan de poten zitten voeten. Bij vliegen heten die tarsen. Daarmee lopen ze en wassen ze zich. Maar ze kunnen nog iets met hun tarsen: ruiken! Dat is handig, want zo weet een vlieg meteen of hij kan eten waar hij op zit. De voetjes van een vlieg zijn begroeid met piepkleine haartjes. Die werken als klittenband. Maar alleen als ze heel schoon zijn. Daarom wast een vlieg zich zo vaak. Bron: Docukit.nl